Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

»Ook van het goede kan men te veel hebben."

Ziedaar eene van de vele uitdrukkingen, die, ofschoon men ze in de gewijde bladen tevergeefs zal zoeken, toch vaak algemeene en onwederlegbare waarheden bevatten.

Er zijn van zulke uitdrukkingen, — laten wij ze spreekwoorden noemen, — die bij den eersten oogopslag, wel verre van eene waarheid, integendeel eenegroote onwaarheid, eene ongerijmdheid schijnen in te houden. Doch nauwelijks beschouwt ge ze wat meer van nabij, of wat u als ongerijmd, als een wanklank voorkwam, wordt opgelost in een schoon, harmonisch accoord, waarvan de grondtoon waarheid is.

Zoo ook met de zegswijze, waarmede wij aanvingen. Keer den zin dier woorden om; zeg: »Ook van het slechte kan men te veel hebben," en ongetwijfeld kunt ge op aller instemming rekenen. »Neen, dat behoeft ge ons niet te komen vertellen; dat spreekt als een boek. Te veel van het slechte! — Neen, we willen van het slechte niets, — hoe kunnen we er dan ooit te veel van hebben!" Zoo klinkt het u tegen, en zoo spreken zelfs zij, die dag aan dag door hunne daden aan hunne woorden een' slag in het aangezicht geven, — indien ge mij de uitdrukking vergunt. Zoo spreken zelfs zij, die dag aan dag jagen en hunkeren naar hetgeen niet alleen in Gods oogen slecht moet heeten en het goede onverschillig voorbijgaan, misschien met een medelijdend schouderophalen, of met een' spotlach op het gelaat.

»Ook van het goede kan men te veel hebben." Maar dat is immers ongerijmd! Goed, — wie begeert het niet ? Goed te zijn, — wie zou het niet verlangen? Het goede te genieten, — wie zou er afkeerig van zijn? En hoe kan men dan van het goede ooit te veel hebben?

Sluiten