Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

De eerste brief, dien ik van haar in mijn bezit heb, is van Dec. 1848. Zij verkeerde toen blijkbaar onder dêa indruk van een pas gelëden verlies. Een kind, een jongetje van ongeveer anderhalf jaar, was haar van het moederhart gescheurd. Misschien was het beter te zeggen: van het moederhart geplukt, want het kind was rijp voor den hemel.

Zie hier wat zij schrijft:

»Gij kunt wel denken, dat mijn lieve kind nog altijd het eenig voorwerp mijner gedachten is. Het wiegje, waarin ik mijn' overleden' lieveling bijna anderhalf jaar met zooveel moederlijke teederheid koesterde, is thans ledig. O, als ik dat alles indenk, dan vloeien mijne tranen nog onophoudelijk. Maar gij spreekt mijn kind zalig; gij beschouwt hem thans als een' hemeling. Welnu, het lust mij u hieromtrent nader mijne gedachten mede te deelen.

Uit mijn vorig schrijven hebt ge wel kunnen opmaken, dat ik toen reeds over den toestand van mijn kind beducht was, ofschoon ik nog altijd leefde tusschen hoop en vrees. Den volgenden dag evenwel stond het bij mij vast, dat wij hem verliezen zouden. Het was of het mij gezegd werd, en het ventje stak onophoudelijk zijne hand naar mij uit, alsof hij zeggen wilde: »»Het zal niet lang meer duren.""

O, wat er toen in mijn moederhart omging, — het laat zich niet beschrijven. Allermeest benauwde het mij, dat ik er niet vast op durfde betrouwen, dat mijn kind naar den hemel ging. Ik zat nacht en dag onafgebroken bij zijn wiegje, en het was of het met geweld op mij aandruischte: »»Bid voor uw kind,

Sluiten