Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had hij derhalve immer het recht aan zijne zijde. Hij had steeds gelijk; hij was de verachte en geplaagde; hij was aller uitvaagsel en afschrapsel, — gelijk hij het noemde, — en wij, vrouw en kinderen, — wij waren de beleedigers.

De Heere is alwetend, en Hij, die van verre onze gedachten kent; Hij, die weet wat er in ons binnenste omgaat, — Hij weet dus ook, dat het niet zoo was. Maar dit wil ik gaarne bekennen, dat ik menigmaal dacht aan het woord van den Apostel: «Ouders, verwekt uwe kinderen niet tot toorn;,tergt ze niet!"

O, dat schimpen op Gods volk; die speldeprikken, — ze gingen mij door de ziel, allermeest ook, wijl bij mijne moeder leer en leven volmaakt in overeenstemming waren, wat, — het zij met weemoed gezegd, — niet altijd het geval is. Zij was een voorbeeld ter navolging voor anderen; letterlijk iedereen hield van haar, en zelfs predikanten, die zeer goed wisten, dat hun geloof het hare niet was, en alle pogingen in het werk stelden om haar onder hun gehoor te krijgen, — zelfs zij achtten haar hoog.

Volkomen waar was het dan ook wat op hare begrafenis door een waardig leeraar werd gezegd en mij nog als eene liefelijke muziek in de ooren ruischt: »Zoo trotschheid ooit geoorloofd kon zijn, dan mochten deze kinderen trotsch zijn op deze moeder."

Maar nu gevoelt dan ook iedereen hoe vreeselijk, hoe hartverscheurend, hoe grievend het voor mij was om zulk eene vrouw soms te hooren toevoegen: »Is dat godsdienst? Ik zou je danken!"

En hiermede stap ik van dit voor mij zoo pijnlijk onderwerp af. Tot recht verstand van hetgeen ik u, mijne lezers, uit het leven van eene Christin wilde meêdeelen, kon en mocht ik er niet geheel van zwijgen. In het vervolg kom ik er niet meer op terug dan voor zoover het voor het verband volstrekt noodig is.

Sluiten