Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

Gaan wij thans over tot een' tweeden brief, waaruit al aanstonds blijkt, dat er op den eersten een zeer door haar gewaardeerd antwoord van de bewuste bloedverwante is gevolgd.

De brief luidt als volgt :

»Alweder gevoel ik behoefte om u te antwoorden op uwe mij zoo dierbare letteren van 13 December. Ja, het is of die brief als een goed zaadje in eene wel toebereide aarde moest vallen. Ik schreef u hoe ik bij den dood van mijn kind gesteld was, en dit kwam u voor als een teeken van berouw over mijne zonden. Ik moet bekennen, dat dit waar is, want na dien tijd werd ik er gedurig bij bepaald, dat, wilde ik het geluk van mijn kind deelachtig worden, ik veranderd en bekeerd worden moest. Ja, als ik aan dien doodstrijd van mijn kind dacht en er bij bepaald werd wat het eens zou te zeggen zijn voor degenen, bij wie de strijd eerst na den doodstrijd recht beginnen zou, dan werd het mij bang; dan werd ik bedroefd bij de gedachte: waar zal het met mij heen? Hoe kom ik aan dat geluk?

Ik las eens, dat wij dit door Gods Woord konden deelachtig worden, onder biddend opzien tot God of Hij er Zijnen algenoegzamen zegen over wilde gebieden. Nu en dan was ik biddende, vooral des avonds, als alles stil was om mij heen. Ja, dan kon ik dikwijls mijne tranen niet bedwingen, en als mijn echtvriend vroeg wat mij toch deerde, dan antwoordde ik: »»Ik ben ongesteld naar de ziel."" Hoewel ik nog niet inzag, dat ik zoo slecht was, — toch werden mij van tijd tot tijd deze en gene zonden als met den vinger aangewezen.

In deze gemoedsstemming was ik nog, toen ik uwe regelen ontving, en, o, het laat zich niet beschrijven; het was of mijne liefde voor u sterker werd. Moet dan, zoo dacht ik, eene veel jongere dan ik mij daarin vooruitgaan? 'tls waar, gij hebt

Sluiten