Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevond. Ik kon in nadruk zeggen, dat ik krank was naar de ziel; ik liet niet af met kermen en smeeken tot God, en gedurig waren mijne oogen als rood geweend. Ik dacht weieens: zou God zoo goedertieren zijn om aan haar, die het hart zoolang heeft verhard, genade te schenken?

Zoo werd het Dinsdagavond. We ontvingen een bezoek van den dominee, maar mij was het in zijne tegenwoordigheid allesbehalve goed, en eens werd ik zoo vol, dat ik in stilte bad: »»Verberg me, o, Heere, Uw aangezicht toch niet, Ai, laat van mij Uw Heilige Geest niet scheiden!""

Weder kon ik den slaap niet vatten, integendeel, ik kreeg het zoo benauwd, dat ik niet wist waar ik het zoeken moest. Ik riep uit: »»0, Heere, neem het van mij weg, opdat ik in slaap moge geraken!"" Doch het werd al erger; ik beefde over mijn geheele lichaam, en het zweet brak mij aan alle kanten uit. Ik kon niet bidden , en er kwamen geene bemoedigende versjes, die ik anders gedurig vond, mij voor den geest. Met mijne handen samengeklemd geloof ik wel een half uur zoo te hebben doorgebracht; ik was als versteend. »»0,"" — zeide ik, — »»banden des doods hebben mij omvangen."" Het was als voelde ik de angsten der hel, welke Christus aan het kruis voor zondaren had geleden. Met mijne oogen gesloten, daar ik ze niet durfde opslaan, zag ik den Satan in al zijne afzichtelijkheid voor mij staan. »»0, God !"" — zoo mocht ik eindelijk uitroepen, — »»neem dat zondenpak van mij weg, want ik zal er onder bezwijken; o, werp den troon des Satans neêr en laat hij mij niet langer in zijne klauwen gekluisterd houden. Ontferm U over eene schuldige, eene arme en verlorene zondares , die niets heeft om te betalen."" Een oogenblik daarna riep ik uit: »»Zou God Zijn gena vergeten, Nooit meer van ontferming weten?"" Daarop volgde Psalm CIII :6: »Zoo hoog Zijn troon moog' boven de aarde wezen,"" enz. Toen zes regels uit Psalm CXXXVIII: »»De Heer' is zoo getrouw als sterk,"" eh wat daar verder volgt. En eindelijk nog drie regels van Psalm XIX: »»Dus krijg ik van mijn' plicht, O, God, een klaar bericht, Wat is 't vooruitzicht schoon!"" Dit alles mocht ik zoo met mijne aandacht geleidelijk volgen.

Sluiten