Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals daags tevoren van angst, maar van dankbaarheid, want die kalmte bleef mij bij.

Eens kwamen mij deze woorden voor: »«Bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar het verbond Mijns vredes zal van u niet wijken in eeuwigheid."" Dat durfde ik niet aannemen. »»0, God,"" — zoo sprak ik, — »»bewaar mij toch, dat mijne verbeelding mij niet bedriegt; dat ik mij toch niet meer toeeigene dan Gij mij geeft. Laat ik tevreden zijn met de zielrust, die Gij mij [nu reeds schenkt."" Telkens kwamen mij ook de vier eerste regels van Psalm XXIII voor den geest: »»De God des heils wil mij ten herder wezen,"" enz.

Den daaropvolgenden nacht mocht ik -verkwikkelijk slapen, en ik ontwaakte met deze woorden: »»Uit genade zijt gij zaüg geworden."" Ik durfde dit weder niet op mij zelve toepassen, en voortdurend blijft er nog strijd of het met mij werkelijk zoo is als ik meen. Maar toch, als dat eigen werk was, zou dan die zielsangst mij bijna twee dagen met rust laten?"

Ik meen gerust te kunnen beweren, dat deze brief de belangrijkste is van alle geschriften, die door de schrijfster werden nagelaten. Al het overige zou van geen belang zijn, — beter gezegd: het zou niet zijn geschreven, — indien niet had plaats gehad wat in deze regelen onopgesmukt wordt meegedeeld. Het gemoed was blijkbaar vol, en waar uit den overvloed des harten de mond spreekt, daar moest ook bij haar de behoefte geboren worden om te vertellen wat God aan hare ziel gedaan had. En allerminst kon zij van Gods ontfermingen zwijgen tegenover eene zuster in den Heere, die haar blijkbaar zoo nauw aan het harte lag. Ik onthoud mij van verdere toelichting , die trouwens ook overbodig zou zijn. Alleen wil ik er even aan herinneren, dat de »goede vriend," van wien zij in den aanvang gewaagt, later in een' gevaarlijken vijand verkeerde, die er ongetwijfeld het zijne aan toegebracht heeft om haar het leven te verbitteren.

Sluiten