Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zegenen, en wij hebben haar mogen behouden. O, hoe heeft God weêr getoond ons in benauwdheid nabij te willen zij»; hoe moest ik Hem naderhand met tranen van vreugde danken voor het behoud van dat pand onzer liefde. Ik kon haar niet aanzien, of ik beschouwde haar als bij vernieuwing aan ons geschonken, en ik moest God bidden, dat Hij mij bekwaam zou maken om onze kinderen in Zijne vreeze op te voeden; dat Hij het goede zaad, in hunne harten gestrooid, op Zijnen tijd mocht doen ontkiemen en vrucht dragen.

Dezen morgen kwamen mij onder mijn dankgebed deze woorden voor: »»Zoek dagelijks Zijn aangezicht, Gedenk aan 'tgeen Hij heeft verricht."" Was ik hiertoe meer instaat! Maar het is dikwijls zoo niet gesteld. Het is en blijft een gestadige strijd; nu eens hopen, dan weêr vreezen; nu eens in het voorbijgaan gelooven, dan weêr verdenken. Altijd kwelt mij nog de vrees, dat het goede in mij versterven zal, vooral dan, als ik een inzicht heb in mijne gedurige zonden en afwijkingen; dan durf ik soms niet voor Gods heilig aangezicht verschijnen.

In een mijner vorige brieven heb ik u over onze vijanden geschreven. Maar, o, hoe heeft de Heere ook in dit opzicht boven bidden en denken met ons gehandeld. Help mij Hem grootmaken en mijne geloften betalen, die ik Gode dezer dagen zoo dikwijls op gebogene knieën heb gedaan. Ja, eiken dag droeg ik onze nooden en bezwaren aan Hem op, dikwijls onder heete tranen; ik smeekte, dat Hij voor ons aan de spitse mocht treden en alzoo onze versmading onder de mensehen wegnemen. Vamdaar,, dat mij Psalm XLII en XLIII zoo dikwijls tot bemoediging waren, en dan mocht ik zoo gelooven, dat die Oritfermer mij tot hulp en sterkte was. O, leefde ik meer tot Gods eer en naar Zijn welbehagen, maar, helaas! het is vaak zoo dor en doodig gesteld; ik zie zoovele gebreken in mij; ik word dikwijls zóó geslingerd, dat ik vrees te zullen omkomen; dan zeg ik weieens: »»Dit leven is niets dan een gestadige dood.""

Hoe gelukkig zijn zij, wier deel niet in dit leven is, maar wier leven met Christus is verborgen in God; zij, die mogen gelooven, dat zij deel hebben aan dien Verlosser, die Zijn bloed

Sluiten