Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb ontmoet, en is mijne veronderstelling juist, dan zie ik hem nog de hitte des daags trotseeren om anderhalf uur ver, teK., gevoed te worden met het brood des levens. Wij weten het reeds: te N. was op kerkelijk gebied de dood in den pot, maar te K. arbeidde een dienstknecht des Heeren, die dit gulden woord in zijne banier geschreven had: »Niets in ons, maar 'tal in Hem, Zóó komt men in Jeruzalem."

»Ik werd als uitgedreven om het op te zoeken," —zooiezen wij. En ik mag er bijvoegen: was het wonder, dat zij in den Lofzang van Maria zooveel behagen vond; dat zij er zichzelve als 'tware in terugvond, — zij, die evenals de moeder des Heeren Maria heette?

En verder: »Het is Zijn wil, dat wij Hem met lofzangen prijzen." Wij, —■ zoo staat er zeker niet ten onrechte, want wie onzer heeft niet dag aan dag overvloedig stof om den Heere groot te maken, zelfs voor de geringste weldaad, die Hij aan den meest onwaardige bewijst. Maar, helaas! hoe weinig worden die lofzangen tot Gods eer gehoord, en zoo ze hier of elders nog weêrklinken, — hoe vaak zijn het slechts klanken der lippen, — woorden en geluiden, die met de geheime roerselen des harten in schrille weêrspraak zijn. Wie zal zeggen hoe menig lied, dat in onze schatting Godverheerlijkend moet heeten, in het oog van-Hem, die harten kent en nieren proeft, eene gruwelijke Godslastering is geweest!

Doch op wiens lippen de lofzangen ter eere Gods in snooden endank en Godvergetelheid ook mochten verstommen, — de schrijfster kon psalmen zingen in den nacht; zij kon roemen in de verdrukking; zij kon juichen en zich verblijden in Hem, die door Zijn' bitteren en smadelijken dood haar ten leven was geworden. Menigmalen hoorde ik haar den Heere prijzen in haar lied, maar ook niet zelden vloeiden daarbij de tranen langs hare wangen, — tranen van vreugde en innig zielsgenot, maar ook, vooral in hare laatste levensjaren, tranen, die de tolken waren van bittere smart en grievend leed.

In ieder menschenleven komen oogenblikken voor, dat men zich niet kan weêrhouden om aan de blijdschap des harten uiting te geven in het jubelend lied, maar ook oogenblikke»,

m

Sluiten