Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meisje in de wereld, gelijk men het noemt; zij was gehjk aan de duizenden, die, hoewel ze niet in openbare en buitensporige zonden vervallen, toch op de vraag: »Is het wel met u?" slechts schouderophalend, zoo niet ontkennend, moeten antwoorden.

Zij was door hare moeder meermalen op de eeuwige dingen gewezen, en het heerlijk lied, dat wij aan het eind van Hoofdstuk VII aanhaalden, weêrklonk ook meermalen van hare lippen. Maar of het onderwijs der moeder onder hoögeren zegen vruchten had gedragen; of hare gebeden voor het zieleheil van haar kind waren verhoord; of het zaad des Woords in eene toebereide aarde was gevallen, — nogeens: op die vragen kon geen bevestigend antwoord worden gegeven.

De Zomermaand van 1866 brak aan. De Natuur was in feestdos gehuld, doch was die tooi gelijk maar al ,te vaak in schrille weerspraak met de gemoedsstemming van vele stervelingen, — ook zij scheen te treuren, want meermalen verborg de zon zich achter een' somberen wolkensluier, en bijna eiken avond werd het woord van den Psalmdichter bewaarheid:

»'s Heeren stem, op 't hoogst gedacht, Bolt en klatert door de lucht."

In ons nederig dorpje waren van verscheidene huizen de vensters gesloten, — onmiskenbaar teeken van diepen rouw, — en telkens zag men een' somberen stoet den weg naar den Godsakker inslaan, — een stoet, die bij het diepste stilzwijgen het toch luide verkondigde, dat er alweder een menschenlot voor eeuwig was beslist.

't Was of ieder zijn doodvonnis ontvangen had en in angstige spanning de ure verbeidde, dat het ten uitvoer zou worden gelegd. En wat prediker ooit over ontoegankelijke harten had te klagen, — allerminst zij, die geroepen waren in die treurige dagen het Evangelie, de blijde boodschap des heils, te verkondigen. Ook te N. werd toen bijna eiken Zondag een rijke Christus, een algenoegzame Zaligmaker, verkondigd, want de gemeente was vacant, en de ringbroeders waren op eene enkele uitzondering na in waarheid arbeiders in den wijngaard des Heeren.

Sluiten