Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorwaar, het is nog zooals Mozes reeds sprak, Psalm XC: »»Gij doet den mensch wederkeeren tot verbrijzeling. Gij overstroomt hen; zij zijn als het gras; in den morgenstond bloeit het; des avonds wordt het afgesneden en het verdort.""

Ik kan u moeielijk beschrijven den indruk, welken die treurige tijding ook op mij maakte, die haar 1.1. Zondag nog zoo gezond heb gezien en verlaten. Waarlijk, ons leven is slechts een handbreed, eene enkele gedachte.

Hartelijk, gelijk gij denken kunt, neem ik deel in uwe moedersmarte, die groot zal zijn, en bid u toe, dat gij m dezen zwaren weg van beproeving met Aaron de genade zult mogen ontvangen om te zwijgen; Gods doen niet te misbilhjken, maar kinderlijk en stil berustend zult mogen leeren zeggen: »»Hemelsche Vader, Uw wil geschiede!"" En dat Davids gemoedsstemming de uwe moge zijn, toen hij sprak: »»Mijne ziel, zwijg gij Gode, want van Hem is mijne verwachting. Hij is immers mijn Rotssteen en mijn heü, mijn hoog vertrek: ikzal niet wankelen; in God is mijn heil en mijne eere; de Rotssteen mijner sterkte, mijne toevlucht is in God.""

Ziedaar toch de rijkste bron van den besten troost en de grootste bemoediging voor den oprecht geloovigen Christen: »»God, de toevlucht der Zijnen onder alle beproeving des levens. Het kruis te dragen valt moeielijk, en daarbij zichzelven te verloochenen en den Heere te volgen is een zwaar werk, dat tegen ons vleesch indruischt en zonder hoogere kracht onmogelijk kan volbracht worden. Vele zijn de tegenspoeden en wederwaardigheden van alle vromen geweest door alle tijden heen. Denk aan Jakob, David en anderen. Maar in die alle is de Heere nabij. Hij, die slaat, is ook dezelfde, die de wonde weêr op Zijnen tijd en op de beste wijze zal heelen, als zq slechts de bedoeüng heeft uitgewerkt, die Hij zich met dezelve heeft voorgesteld.

»»God, de toevlucht der Zijnen!"" - Zijne ooren zijn steeds open voor het geroep dergenen, die Hem vreezen. Zoo stort de ziel dan niet tevergeefs hare bange klaehte voor Zijn aangezicht uit; zü heeft zoo menigwerf de ondervinding, dat de Heere nabij is, allen, die Hem aanroepen. O, mocht gy het ook

Sluiten