Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij, van wie wij spreken, deed zoo niet. Herhaaldelijk was ik in de gelegenheid mij van het tegendeel te overtuigen, en zelfs geloof ik weieens te hebben behoord onder degenen, die dit, neen, niet in haar afkeurden, maar het toch minder aangenaam vonden. Was dit in mij hoogelijk af te keuren, — 't was toch ook aan de andere zijde een bewijs, dat ik haar bijzijn op hoogen prijs stelde.

En dat was ook geen wonder. Er ging van haar eene kracht ten goede uit; ik gevoelde mij in hare tegenwoordigheid anders en beter gestemd; woorden en uitdrukkingen, die mij anders weieens ontvielen, bleven dan achterwege, en wat in de beslommeringen van het dagelijksch leven vergeten en veronachtzaamd was, — het werd dan weêr verlevendigd en op den voorgrond geplaatst.

Zij had mij innig lief, — het is uit het vorige reeds voldoende gebleken, — en ik mag er bijvoegen: onze liefde en toegenegenheid waren wederkeerig; zij waren gelouterd door gemeenschappelijk lijden, en had zij langer mogen leven, —, wie zal zeggen welke heerlijke vruchten haar invloed, hare leer, haar wandel en voorbeeld nog voor mij en de mijnen hadden kunnen dragen.

Nogeens: de eere Gods ging bij haar boven alles, en geen wereldling kon in het vooruitzicht van een vroolijk feest zich meer verblijden dan zij, wanneer ik haar meêdeelde, dat ze den eerstvolgenden Zondag in de gelegenheid zou zijn om den vollen raad Gods te hooren verkondigen door een geloovig Evangeliedienaar. Dan tintelden de oogen reeds bij voorbaat van innig zielsgenot, en was de Sabbat aangebroken, dan ging zij ook met een heilbegeerig hart tempelwaarts; dan stoorde zij zich, gelijk gezegd is, aan niets; dan gaf zij geen gehoor aan de inblazingen van den Satan, die ook haar niet met rust liet.

Er zijn menschen, die hunne gevoelens op 'tgebied van godsdienst en geloof liefst zoolang mogelijk verborgen houden; die zich in zulk een geheimzinnig waas hullen, dat het hoogst moeilijk, ja, schier onmogelijk is om met zekerheid te bepalen wie zij zijn en wat zij gelooven; die, als zij meenen, dat hun

Sluiten