Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

halen, 't Zou geene maand, zelfs geen' dag meer duren, want in den daarop volgenden nacht reeds ging zij naar dat Vaderhuis Daarboven, waarnaar zij zoolang met smachtend verlangen had uitgezien.

«Vaarwel, moeder!"

»Wat! Gaat ge weg?"

»Neen, maar u gaat heen!"

»Och, ik...."

Dat waren hare laatste woorden, want vóór zij dien volzin kon eindigen, was zij werkelijk reeds heengegaan, afgereisd naar de gewesten van eeuwig licht.

En toen den volgenden morgen de vriendelijke kerkklokstonen tot de ure des gebeds noodigden; toen er Sabbatsrust werd gesmaakt en Sabbatsvrede genoten, — toen vierde z ij reeds den eeuwigen Sabbat; toen mocht zij reeds aanzitten aan de bruiloft des Lams.

Het stormde daarbuiten, toen wij haar stoffelijk omhulsel ten grave brachten, maar, Gode zij dank! in ons binnenste stormde het niet. Wel trilden de lippen; wel parelde er een traan in de oogen; wel was ons eene diepe wonde geslagen, — maar de zekerheid, dat zij thans van alle lijden verlost en boven alle leed verheven was, — die zekerheid gaf troost in onze droefheid, stortte balsem in de wonde, — een' troost en een' balsem, die de wereld niet kent en ook niet schenken kan. En toen dan ook de predikant, van wien ik op bladzijde 49 gewaagde, ons meedeelde hoe het de begeerte van de afgestorvene was geweest, dat verwanten en vrienden op hare begra¬

fenis zouden zin een het zesde vers van Psalm flYT.V +^

had, gelijk hij te recht veronderstelde, niemand onzer daar iets tegen, en met trillende lippen en door tranen benevelde oogen klonk het:

»De Heer' is recht in al Zijn' weg en werk,

Zijn goedheid kent door 'tgansch heelal geen perk;

Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht,

Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht;

Dat ongeveinsd, in 't midden der ellenden,

Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden. ,'

Hij geeft den wensch van allen, die Hem vreezen,

Hun bede heeft hij nimmer afgewezen."

Sluiten