Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men zich alweder te leur gesteld zag en wij geheel onder de magt des Franschen Keizers warén geraakt, was de verlegenheid en de moedeloosheid groot; de droevige staat van land en volk en Kerk deed zich onzes ondanks gevoelen en wekte jammer en geween. Evenwel zocht men het ook nu niet ter regter plaatse. In overmaat van leedgevoel wierp men nu de schuld op de Franschen en hunnen Keizer, niet op het volk van Nederland, dat zijn God verloochend had. Waren wij (dus heette het) van de heerschappij der Franschen slechts verlost, het zou alles beter gaan en te regt komen; de Nederlandsche natie was niet zoo boos en slecht; sommigen mogten gedwaald hebben, anderen hadden altijd goede bedoelingen gehad; de kern des volks was goed; met één woord: al het kwaad hadden de Franschen bedreven, wij waren onschuldig. Zoo sprak men. Ach , later tijd heeft geleerd wat waarheid en waarde in deze taal lag. IJdele taal van trotsche harten, die niet willen zien dat het kwaad uit eigen boezem zijnen oorsprong neemt en eigene ontaarding en verbastering alle jammeren te weeg hebben gebragt.

VERBLINDING EN VERHABDIN6.

Gelijk het onder Israël, zelfs in achabs dagen, niet ontbroken heeft aan Goddelijke roepstemmen niet alleen, maar ook niet aan uitreddingen en schier wonderdadige hulpbetooning, ter gunste van een afvallig, onwaardig volk; opdat het blijkbaar zou worden wiens de schuld ware van de rampen die getroffen hadden en dat 's Heeren arm niet verkort was, om niet te kunnen verlossen, maar alleen de zonden scheiding maakten tusschen Hem en Israël; zoodat bij het verdelgend oordeel elk zou moeten uitroepen: »de Heer is regtvaardig!" — gelijk zelfs in de Babylonische gevangenschap, toen het volk zuchtte onder vreemde overheersching r de Heere nog wel eene deur ter redding opende, of ook de hardnekkigen zich voor Hem zouden vernederen en erkennen

Sluiten