Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dieregtsgrondnu volgens de M. van T. is daarin gelegen, dat de Grondwet veroorlooft de geheele armenzorge als eene publieke dienst te beschouwen.

De geheele zorg voor de armen eene publieke dienst, dat is met andere woorden werkverschaffing en onderhoud der armen uit 's rijks kas. Veroorlooft de Grondwet dit, dan veroorlooft zij tevens het uitschrijven van eene armentax, dan geeft zij aan de regering het regt om aan de nijvere ingezetenen een deel hunner inkomsten te ontnemen, om het uit loutere goedheid en weldadigheid te geven aan anderen, die daarvoor geen diensten aan den Staat bewijzen.

Het gevaarlijke .van die stelling zal ik hier niet uiteenzetten, ik zal evenmin aantoonen dat de armenzorg niet tot de roeping van den Staat behoort, niet in haar doel ligt, maar integendeel lijnregt strijdig is met het juiste denkbeeld, dat men zich van den Staat moet vormen. Zoodanig betoog is onnoodjg, omdat de M. van T. alleen op de Grondwet wijst en men der-' halve slechts heeft nategaan, of zij aan de Regering het bedoelde regt geeft. En wat leest men nu in Art. 195 der Grondwet, waarop de M. van T. alleen kan doelen. Het armbestuur is als onderwerp van de aanhoudende zorg der regering gesteld, en zorg over het armbestuur zal toch wel iets anders beteekenen dan armenzorg; het armbe$lwr is ter regeling aan de wet opgedragen maar zoodanige wet is geen armenwet.

Blijkt nu de verkeerde opvatting der Grondwet door den Minister reeds uit de woorden zelve: nog duidelijker wordt het, dat door de woorden aanhou-

Sluiten