Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dende zorg volstrekt geen zelfhandelen en verzorgen) aan de Regering wordt opgelegd, als men dit Art. met het voorgaande Art. 194 der Grondwet vergelijkt, waarin evenzoo het onderwijs tot een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering is gesteld en waarbij in de derde alinea gevoegd is: er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven; was het nu de bedoeling van den wetgever geweest, dat de Regering als' handelende persoon ook in het armenwezen zoude optreden, dan had ook in Art. 195 de bepaling gemaakt moeten zijn. Er wordt overal in het rijk van overheidswege voldoende zorg voor de armen gedragen. Zoodanige bepaling nu vindt men niet, en de geheele armemorge mag derhalve nimmer volgens de Grondwet als eene publieke dienst of verpligting worden beschouwd en moet zich de zorg van den Staat zoo nu als voor het vervolg tot het armbestuur bepalen.

Maar gesteld eens voor een oogenblik, dat men de tegenovergestelde stelling aanname, dan zie ik volstrekt niet in, waarom het thans noodig of nuttig zoude zijn, om de armenzorge op den Staat te brengen. De Minister zegt, en teregt, in de M. van T., dat de subsidiën nit de fondsen van burgerlijke besturen aan kerkelijke en gemengde instellingen van weldadigheid een kwaad zijn: dat kwaad zal weggenomen worden, ais de geheele armenzorge op de Staat overgaat; welnu, waarom dan niet terstond dat kwaad verholpen? Is een geheel nieuwe toestand, waartoe deze wet slechts een' overgang moet maken, wen-

Sluiten