Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Art. 3 a wordt gesproken allereerst van staats-j dan van provinciale, ten laatsten van gemeente-instellingen; regelmatig zoude het derhalve geweest zijn, indien in Art. 4 ook eerst ware gehandeld over de staatsinstellingen voor bedelaars en landloopers, oude en gebrekkige krijgslieden, blinden- en doofetommen-gestiohten en zoo meer, daarna over de provin. ciale, eindelijk over de gemeenteinstellingen. Zoodanige gang van behandeling zoude daarom van te meer belang zijn, omdat dan in de eerste plaats als beginsel zoude moeten worden vastgesteld, wat de Staat, indien er niet van elders voor gezorgd wordt, op zich mag nemen, wat daarentegen aan de publieke weldadigheid moet worden overgelaten.

In Art. 5 worden de kerkelijke instellingen verpligt tot de naleving van deze wet; en wat leest men nu in Art 53. De tjehoeftigen enz. worden onderscheiden in dezulken, die wel en die niet of niet genoegzaam kunnen arbeiden. Aan de eersten wordfc, zooveel plaatselijke omstandigheden en middelen dit gedogen, in de eerste plaats de gelegenheid verstrekt tot arbeid tegen loon enz.

Nuttige bepalingen voorwaar, indien èn die werkverschaffing niet op vele plaatsen voor de diakoniën onuitvoerbaar ware èn door de wet aan haar ter nakoming konde worden opgelegd; eene regeling van de wijze, waarop de diakoniën ondersteunen zullen, kan immers voor zoodanige zelfstandige ligchamen niet verbindend gemaakt worden. Zij is ook in strijd met hetgeen de M. van T. op dit 5*° Art. zegt, dat het eerbiedigt de vrijheid der bevoegde Kerkbesturen tot regeling

Sluiten