Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het beheer der Kerkelijke instellingen. En als men leest in Art. 15 : Besturen van instellingen van weldadigheid, op eenigerlei wijze aan de voorschriften dezer wet niet gehoorzaam, erlangen in geen geval de magtiging bij Artt. 947 en 1717 van het burgerlijk wetboek bedoeld, dan kan men niet ontveinzen, dat de wet duidelijk bewijst, hoezeer de Regering onder schijn van vrijheid aan de openbare liefdadigheid te laten, er op uit is, deze aan haar oppertoezigt te onderwerpen.

Art. 8 en 9. De mededeeling van reglementen van instellingen, door bijzondere personen of door bijzondere niet kerkelijke vereenigingen geregeld en bestaard, kan, geloof ik, niet door de wet gevorderd worden. Zij staan met den Staat in geen het minste verband en kannen alleen vallen in de bepalingen van het burgerlijk wetboek. Het staat aan de ingezetenen vrij volgens 'slands wetten, eene vereeniging daartestellen, waarbij zij in hun eigen voordeel arbeid geven; fabrijken van allerlei aard mogen zij oprigten zonder blootlegging der regelen, waarnaar het bijeengebragt kapitaal beheerd wordt; terwijl zij, die met een weldadig doel werk willen verschaffen, alvorens zich als gevestigd te kunnen beschoawen, hunne' reglementen moeten overleggen en dan durft men nog spreken van vrijheid, aan de openbare liefdadigheid gelaten!

Art. 11. Hoezeer ook eene wetsbepaling, dat in de opleiding en het onderwijs van arme kinderen voorzien zal worden, wenschelijk zij, zoo komt zij toch hier niet te te pas, maar behoort in de wet op het onderwijs te huis.

De kosten van dat onderwijs moeten ten lasten van

Sluiten