Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en 69 werken niet ten aanzien van meerderjarigen, die op andere voorwaarden in een Godshuis ter verpleging zijn opgenomen; en hoe kunnen nu die vorderingen, die bij art. 70 verklaard worden niet te werken, in Art. 72 voor bevoorregte schulden worden verklaard? Hier voorzeker diende de M. van T. wel licht te doen schijnen en op dit Art. zwijgt zij.

In Art. 74 wordt gezegd: alle vorderingen aan besturen wegens onderstand aan behoeftigen door of op last en voor rekening van burgerlijke gemeenten, diakoniën of andere armbesturen verstrekt, en in Art. 63. Het voorschot van onderstand bij Art. 58 en het 3<le lid van Art. 61 (dat is alle onderstand buiten het domicilie) vermeld, geschiedt door de .burgerlijke armbesturen, en, indien deze ontbreken, uit de fondsen der burgerlijke gemeente, waar de behoeftige verblijft, hoe is dit te rijmen?

Eeeds is aangetoond, dat eene wet op het armbestuur zoo op het punt der subsidiën als op dat der armverzorging door de gemeenten streng beperkende bepalingen moest inhouden, die in het ontwerp worden gemist: thans nog eenige aanmerkingen over het vijfde hoofdstuk.

In Art. 79 leest men, dat bij een raadsbesluit moet blijken:

a. Dat de volstrekte noodzakelijkheid van het subsidie of van de verhooging is bewezen enz.

"Weinig strookt dit met hetgeen in de M. van T. als beginsel wordt gesteld, bij gelegenheid van het domicilie van onderstand, met de woorden: genoeg dat het bestuur wete, dat hij, die zich aanmeldt, dit

Sluiten