Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ATHANASIUS ÏIHHEI.

Geen tijdperk heeft op het gebied der natuurwetenschappen eene zoo lange schitterende rei van groote vernuften aan te wijzen als de zeventiende eeuw. Wie denkt niet terstond aan Baco van Verulam, Kepler, Galilei, Descartes, Pascal, Huygens, Leibnitz, Newton en zoo vele anderen aan wier namen zulke talrijke gewichtige ontdekkingen zijn verhonden? Opzettelijk noemden wij deze groote namen, niet omdat wij den man, van wien wij eene kleine levensschets willen schrijven, geheel met hen op dezelfde lijn wenschen te stellen, maar om aanstonds te doen zien dat hij die in eene eeuw zoo rijk aan groote geniën de hoogachting zijner , tijdgenooten in het algemeen en de waardeering, ja de vriendschap, van sommige dezer geleerden zelve mocht genieten eene eervolle plaats onder de beoefenaars der wetenschap kan innemen. „Overigens, schreef Leibnitz den 10 Mei 1670 aan Athanasius Kircher, wensch ik u die, in zoover zij den mensch ten deel kan vallen, de onsterfelijkheid waardig zijt, gelgk uw naam het heilvoorspellend aanduidt, in krachtigen frisschen ouderdom, de onsterfelijkheid."

Deze woorden van den grooten waarheidlievenden Leibnitz zijn voldoende om de oordeelvellingen van sommige schrijvers, die enkel op een toon van hooge verachting over Kircher weten te spreken, naar waarde te schatten; Leibnitz

Sluiten