Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op gelijke wijze besloot hij dat vele eilanden, met name de archipels eenmaal onderling en met het vaste land verhonden waren, hetgeen door latere waarnemingen hoven allen twijfel is verheven.

In zijne beschrijving der onderaardsehe stroomen en verbindingskanalen der zeeën heeft Kircher stellig zijne verbeelding te veel den vrijen teugel gevierd, maar dat er werkelijk talrijke onderaardsehe rivieren en met water gevulde holen bestaan, waarin visschen en andere dieren voorkomen, is door talrijke onderzoekingen onomstootbaar vastgesteld. Belangrijk is zijne verklaring der merkwaardige bronnen die met meer of min geregelde tusschenpoozingen groote watermassa's uitstorten en vervolgens gedurende eenigen tijd volkomen opdroogen. Men verbeelde zich in de helling van een berg een groot hol dat het van de hoogere punten nederdringende water opzamelt, en dicht bij den bodem een spleet bezit die eerst over een .zekere lengte opwaarts loopt en zich vervolgens in nederwaartsche richting ombuigt die, met éen woord, de gedaante van een hevel vertoont gelijk er werkelijk vele bestaan; het water zal in het hol besloten blijven tot dat het aanwassende het hoogste punt der scheur bereikt, maar dan zal het ook tot aan het ondereind van dien natuurlijken hevel uitloopen, even als uit een vat op welks bodem zulk een werktuig is geplaatst. Deze eenvoudige verklaring van het vreemde verschijnsel wordt nog heden door de natuurkundigen aangenomen.

Over de versteeningen van planten en dieren die destijds nog door velen als natuurspelingen beschouwd werden, had Kircher wat de hoofdzaak betreft vrij juiste denkbeelden: „Om te verklaren op wat wijze deze afbeelding [van een visch] in de steen gekomen is, diend aangemerkt dat des winters veel landen van water onderloopen, met welk water veel slijk en vissen op strand komen, die met 'er tijd door een steengeest verhardende, haar vorm en gedaante in 't sachte

Sluiten