Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slijk, dat daar na ook in steen veranderd, indrukken, 't gene daar uit is af te nemen, omdat de graten, schubben en 't afgescheurde vleesch so volkomelijk is afgebeeld, dat een afgericht beeldhouwer het so geestig na leven niet soude konnen namaken." Ook in de opvatting der wijze waarop de ver* steening plaats grijpt kwam hij de waarheid tamelijk nabij; duidelijk onderscheidt hij tusschen de eigenlijke versteening en de bloote omkorsting: „Ik hebbe gesegt, so wanneer de dingen het sap ingedronken hebben, om dat so wanneer het steenmakende sap volkomelijk met het water vermengt [met deze woorden onderscheidt hij steeds eene eigenlijke oplossing van eene mechanische vermenging] door gedrongen is tot het geheele merg, beenderen, en tochtgaaten [poriën] van de dingen die daar ingeworpen zijn, siet dan worden sy na haar geheele weesen in een steene klomp verandert, de houtige en beenderige stoffe door de steenmakende vochtigheid afgeknaagt zijnde, en de steenvochtige lichaampjes haar in derselver plaatsen stellende, die gelijk ik gezegt hebbe in de steenmakende vocht door een volkomen mengsel in zijn ; welk niet geschiedt in de dingen die alleen met een steenige korst overtrokken worden."

Men heeft niet geheel ten onrechte aangemerkt dat in het onderhavige werk verschillende dwalingen en fabelachtige verhalen voorkomen, maar wie het slechts oppervlakkig leest, en ik zoude een bekenden schrijver kunnen noemen die deze fout bedreven heeft, loopt groot gevaar het lot te deelen van den professor welke het gewone „videtur quod" van den h. Thomas als de uitdrukking der eigene meening des kerkleeraars beschouwde. Zoo deelt Kircher in H. IV Boek VIII Deel II een aantal verhalen mede van torenhooge reuzen en hunne onderaardsehe beenderen op zulk een naieven toon als of hij alles voor goede munt aannam; maar dan heet het verder: „Dus veel had ik te seggen van de Beusen en van haar ongemene grootte. Nu staat te ondersoeken of 'er ook oit so groote menschen waarlijk in

Sluiten