Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet het kruis ons verklaren. Hij, die zich nog niet met „een zondig mensch" kan gelijk stellen voor God, begrijpt niet dat kruis, doorgrondt niet die liefde, erkent die genade niet. Daarom behooren zij, die wij als zondaars erkennen, juist bij den zondaars zoekenden Zaligmaker, in hun leven naast Hem op Golgotha, opdat beide één beeld zouden uitmaken tot aan het einde der eeuwen; opdat de diepst gezonkene niet zoude kunnen zeggen: „voor mij is geenë genade," en de deugdzaamste niet zoude kunnen meenen: genade is niet voor mij.

Hebben wij Jezus op den kruisweg gevolgd, waar iedere voetstap ons predikte: „Zooveel deed de liefde!" de Vriend van tollenaars, in wien wij den lijdenden Heiland herkennen, roept ons nu toe: „Zoo diep daalde zij!" De Heer is gekomen om te zoeken wat verloren was; gy zijt verloren.

Letten wij thans op 1°. het wonder, 2°. de openbaring en 3°. de scheppingskracht van zoekende liefde; hare lokstem, hare roepstem, hare stem van vermaning.

I. De natuurkundigen van den nieuwen en de schriftgeleerden van den ouden dag hebben beide eenen strijd met den bovennatuurlijken Christus, die goddelijk en daarom onbegrijpelijk is. Een doode wordt opgewekt en de mannen der wetenschap teekenen protest aan tegen deze willekeurige verstoring der orde, die door hen als het hoogste beschouwd wordt. Een zondaar wordt uit allen verkoren, boven allen geplaatst, en de mannen van deugd en pligt, die te gemeenzaam, geworden met het denkbeeld eener magt, die de natuurwet beheerscht, om zich aan het natuurlijke wonder te stooten, kunnen het zich niet verklaren, hoe heiligheid gezeten kan zijn aan den tollenaarsdisch, en ergeren zich aan dit zedelijk wonder. _

Men roept ons toe: „Neem de wonderen weg uit uw Evangelie, en ik zal gelooven!" Nemen wij die wonderen weg, dan is er niets meer te gelooven; blijft er geen

Sluiten