Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te bloozen wanneer de koning hem bezoekt; nimmer vergeet en gaarne verhaalt hij het, en beroemt er zich op, terwijl de hoveling, die een aanslag smeedde op het leven van den vorst, door zijne gunst gekwetst, door elke gedachte aan zijne goedheid geroepen wordt tot nieuwe verootmoediging. Neen Zacheus, wat men ook denken of zeggen moge, het is geene vermetelheid van u, dat gij Jezus in uwe woning toelaat, waar zijne heiligheid zoowel als zijne liefde u beschaamt, zijn bezoek verre is van u te vleijen.

Straf kunnen wij verdragen, almagt trotseren; zij kan ons vernietigen, maar niet vernederen. De Grieksche dichter stelt Prometheus voor, aan de rotsen gekluisterd, en hoe hulpeloos ook, zijnen regter uittartende met den uitroep: „Gewillig, gewillig heb ik gezondigd; ik ontken het niet." Al is het ook, dat schuldgevoel ons pijnigt en vrees ons beklemt, zoo kunnen wij nogtans ons zeiven behouden, en daarbij de trotschheid, die der zonde eigen is. Maar onverdiende liefde te ontvangen, neen dat vermogen, dat willen wij niet. Zij noopt ons te belijden, betreuren en bukken, zoo niet voor anderen dan toch voor ons zei ven, en dat is de grootste, de eenigste vernedering. Menig zondaar behoudt liever eene dreigende, straffende wet in zijn hart, het foltertuig des gewetens, dan dat hij een kloppenden Zaligmaker opendoet, die zijnen gast de eer niet gunt van Hem genoodigd, gedrongen of zelfs begeerd te hebben. Vrees moge pijnigen, zoo diep vernedert zij niet. Een Zaligmaker moge ons ergeren; een zoekende Zaligmaker doet ons ons zei ven verliezen. Van hem, die met de tollenaars Jezus ontvangt, zal ook, even als van dezen, geschreven moeten worden: hij „verheerlijkte (niet zich zeiven), maar God;" en indien wij bij een Zacheus de belijdenis niet vinden: „Ik ben onwaardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen," dan is dit, omdat

Sluiten