Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

talen," ach iedere poging daartoe doet hem meer en meer het vruchtelooze daarvan inzien; al dieper en dieper zinkt hij, en verliest zich reeds meer. — Wat hoort hij daar? eene welbekende stem, het is vader, die op het kronkelend dwaalspoor hem volgt; hij offert veel, alles, zich zeiven op, om hem te bereiken. Hij roept: verlorene! Ik zoek u, laat u vinden. Ach gij gevoelt het, onwederstaanbaar moet die liefde zijn; zij buigt den wil, zij verteedert het hart. — Ja dat zou zij doen, indien er niet eene gedachte was, die het oor sluit, en deze is: Het is vader niet; ongemeend; niet voor mij! Het ongeloof laat de liefde niet toe het hart te bewerken.

Zoeker! die verloren zoon zijt gij. Geen afgrond zoo diep, dat liefde u daar niet gezien heeft; geen pad zoo digt begroeid waar zij u niet- gevolgd is; geen afstand is voor haar te ver. Zeg vrij: die liefde is onwederstaanbaar, gij die de vonden van het hart niet kent. Gij zijt niet verloren! gij zijt te veel verloren! daar komt de wet, vlugt! Hier in dit pad des gebeds, daar in dien weg van zelfkennis. Het is de stem van zelfbedrog. Eerst meer verzekering! Terug naar 's vaders huis! roep! laat u vinden! En zoo is uw zoeken een ontvlugten, heeft de liefde geen toegang tot het hart, vernedert, vernieuwt zij niet.

„Maar is dit niet de gewone weg van Gods volk?" de gewone omweg Er biedt zich iemand bij mij aan als gids in eene vreemde stad; dit kwetst mijnen hoogmoed, ik verwerp hem, en zoek mijnen eigen weg, totdat ik al dwalende overtuigd word dat anderen mij moeten leiden. Zal ik mij beroemen op den langen tijd, dat ik in mijne eigenzinnigheid heb volhard, en een vriend, die na mij komt, raden dat zelfde pad in te slaan? Integendeel. „Toch was die weg noodig," om mij mijne onkunde te ontdekken, en zullen allen dien inslaan, naarmate zij hoogmoediger en hard-

Sluiten