Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan óen lezer.

hoog aanzienlijken en achtingwaardige» vriend aan anderen , en wel zonder dat er naar gevraagd werd, en betoogde in geschriften, dat men niet moest gelooven, dat hij al die eereteekenen verdiend heeft en waardig is. Zoo dat een bewijs van hoogachting, van vriendschap en genegenheid van dezen jegens dezen zijnen vriend zijn , of van misgnnning? Doch van waar die misgunning jegens dien vriend, die hem nooit beleedigd maar welgedaan had ? — van waar anders dan uit biltere nhaat en inwendige vijandschap ? — de onpartijdig© lezer oordeele en beslisse. Wat doet de bestrijder van «zes Godheid ontneemt deze Hem, wien deze eere en waardigheid wordt toegekend, dezelve niet? zegt hij niet met de daad, en zolks in openbaar geschrift: gij moet in Hem als eeuwigen, natuurlijken Zone Cods niet gelooven; Hij is zoo groot van afkomst niét, als men Hem wil gehouden hebben? Kan de nadenkende zich bovendien niet voorstellen, dat een geheel onpartijdige, doch met de betrekking tusschen ch*istüs en de Christenen bekende, Heiden en Mabomedaan in opzigt tot dezebestrijders zouden zeggen, de een: »zulke menschen rijrt geene vrienden van- hunnen Zaligmaker maar vijanden!'» de ander: »de eer van onzen mahomed ligt ons naderaan het hart dan die van christüs bij zolke Christenen! ? Kan hij zich niet voorstellen , dat hij een' Jood, als. onpartgdig regter in deae ingeroepen, hoort zeggen :■ »ik moet betuigen, dat deze bestrijders—hoewel zij Christenen heeten ; hoewel zij, wèl beschoowd , ons joodsch* gevoelen omtrent den Nazarener begonsligen; hoewel zij. bet vonnis, over Hem, door onzen Hoogepnester. ca ja-

Sluiten