Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diging, of voor de burgerlijke^: °f voor de kerkelijke* regtbank, met gevolg van strafvonnis, niet zon kunnen ontgaan, — deze : »of het geoorloofd was den Keizer schatting te geven ?" Zonder zich te bedenken, is Hij dadelijk gereed, en zegt: »toont mij een' schattingpenning !" dezen in handen hebbende, is zijne eenvoudige vraag: »wiens isdit beeld en opschuift?" Antwoorden zij : »des keizers,". Hij wijst hen, volgens dit hun antwoord, teregt; zoodat bet'hen trof, en zij zich zeer over Zijne gevatheid en vlugheid van oordeel verwonderden (l). Wanneer bij eene andere gelegenheid Hem zoeken verlegen te maken met de vraag: »door wat magt Hij deze dingen deed?"dringt Hij hen — door eene eenvoudige wedervraag; »de doop van JOH NES, was die uit den hemel of uit de menschen?" — in zulk eene engte , dat zij , die trotschaards! tot de vernedering moesten komen en zeggen: »>irij weten het niet (2)."

Met deze volmaakte wijsheid, vereenigde zich in Hem onbevlekte heiligheid, en wel zulk eene, dat Hif niet alleen nimmer zonde gedaan, maar ook nooit de allerminste neiging tot dezelve gehad heeft, noch hebben kon. Deze heiligheid was Hem, die reeds vóór zijne wording in zijné moeder dat Heilige genoemd wordt, van de allereerste kiem zijns bestaans natuurlijk eigen, en is Hem eigen gebleven, zoo als. ons uit zijn gedrag, in hetwelk Hij de zuiverste liefde tot God en tot de menschen betoonde, ten duidelijkste blijkt. '

Dat liefde , geheel zuivere en volmaakte liefde in het schepsel jegens God , een bewijs is van heilig te zijn, moet volgen uit den aard der zaak ; want het schepsel, dat God vurig bemint, bemint Hem, en kan Hem niet anders beminnen , dan als de hoogste, allerzuiverste Heiligheid , en moet daartoe noodzakelijk zelf ook heilig zijn, om in volmaakte overeenstemming met Hem te leven. Dat de

(1) Matlh. XXII: 17—22.

(2) Matth. XXI: 23—27.

Sluiten