Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemmen, dat de mensch verre is van te zijn, die hij oorspronkelijk was; maar geenszins te scannen beamen, dat hij geheel zou ontaard, tot geen goeddoen/Sahetwelk God een welbehagen heeft, zou genegen zijn; zoo vragen wij: of wij niet van God vervireebid, verwijderd, afkeerig en tegen Hem in opstand mijn , wanneer Zijne daden en bevelen met onzen wil niet overeenkomen, en naar onze wijze van zien met ons . belang in strijd zijn ? of wij niet -hatende zijn, die ons haten, benadeelende , die ons benadeelen, en verre zijn van onze vijanden te ze* genen, wèl te doen en voor hen te bidden. Ons dan bij Hem, den Heer, vergelijkende, zien wij hoe diep wij zijn gevallen, hoe geheel wijt-iijn ontaard, en worden daarvan nog te meer overtuigd , wanneer wij bedenken, hoe wij daar onder gestemd zijn ; want daar wij bedroefd behoorden te wezen , dat wij1 «Hem, onzen Schep* per en Weldoener , niet kennen', niet vertrouwen, niet Kefhebben, en, tegen Zjjn gebod, ook onze naasten niet; zoo bekommert ons ook dit niet in het allerminste: of zon zulks niet, zoo in ons een vonkje van liefde tot Hem plaats vond en ware overgebleven?

Doch in de beschouwing van Hem als diep vernederd en lijdend mensch, zien wij bovendien ook, welken jam* meren en ellende wij van wege de zonde onderworpen zijn. Want onderging Hij — wien eeuwen vóór Zijne komst in het vleesch door de Profeste» in den mond gelegd wast »de smaadheden dergenen die U Söiaden, zijn op mij gevallen (1)" — al die beleedigingen , die slagen , dien hoon, dlftn smaad, dat lijden naar KgchaËm en ziel, Hij, die de volmaakt Heilige was, in de plaats van menschen: wij <zien dan, dat wij die allen waardig zijn en eeuwig onderworpen zullen wezen, zoo wij niét 4n onzen oorspronkelijken geltdWfaat hersteld worden. En hoe veï»

(1) Tsalm 69: 10*.

Sluiten