Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Jood niet twijfelachtig, en den Christen zeker. Wij tinden in dezelve de afkomst en geboorte van dezen Heogwaardigen, benevens den tijd in welken, en het volk onder hetwelk Hij verschijnen zou, alsook Zijne werkzaamheden , hoedanigheden en lotgevallen voorspeld.

Reeds in het Paradijs, bij den jammervollen zondeval, werd Hij door God tot redding der mensehen als een gezegend vroèwezaad beloofd, en was voor obzo eerste ouders, wat een heldere lichtstraal is in stikdonkere duisternis. Door de herhaling en al duidelijker ontwikkeling dier moederbelofte ia telgende eeuwen, werd deze Kcbtstraal bij toeneming grooter, waardoor de geroovigen' naar de verstening- van dezen Heilgezant reikhalzend nitzagen.

Dat wij in de zoogenaamde moederbelofte (1), in welke God den verleider bedreigt en den mensch geroststelt, door het vrobwezaad niet aan hare geheele geloovige nakomelingschap, maar aan eenen persoon bij uitnemendheid uit dezelve te denken hebben, blijkt ons nit de bedreiging zelve, in welke de Allerhoogste, met te zeggen: »/A zal vijandschap zetten," vooronderstel, dat de mensch buiten staat was zich zeiven teherstellen; en met te zeggen: »dat vrouwezaad zal niet uw naad, maar u den kop vermorselen," doet Hij ons niet aan velen, maar aan eenen, die tegenover den verleider gesteld wordt, denken. Dit blijkt ons ook verder uit de beloften Gods in de volgende tijden , die, benevens de voorspellingen der Profeten, als nadere ophelderingen van déze hoofdbelofte te houden zijn, en in welke slechts van éénen Persoon gesproken wordt. — Zon dan uit het menschdom Één te voorschijn komen, die doen zou, wat menschen niet konden en wat God bedreigt zelf te zullen doen, zou Deze velen verlossen: dan moet die ooè^én Eenige, een Persoon bij uitnemendheid zijn,

(1) Gen. III; 15.

Sluiten