Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zien dus in den , in het Paradijs en aan de Aartsvaders beloofden en door de Profeten nader aangekondigden, uitnemenden Persoon den Messias, den Christus in Zijne afkomst, geboorte , werkzaamheden , hoedanigheden en lotgevallen. Doch het is niet alleen dit, hetwelk ons als kenmerken van den toekomenden Heilvorst voorspeld is: onder al de genoemde, door de Profeten gegeven kenmerken straalt één boven alle door, dat over Zijnen Persoon en werkzaamheden een licht van majesteit en heerlijkheid verspreidt,— dit, volgens hetwelk Hem, benevens Zijne menschehjke, ook eene goddelijke natuur toegekend, en Hij met Jehovah gelijk gesteld wordt.

Ter overtuiging van dit zoo hoogst belangrijk kenmerk, vestigen wij onze aandacht op den Hden en op den XLVsten Psalm. Dat de dichters of dichter van beide deze Psalmen in dezelve het oog op den toegezegden Heilvorst heeft, dien hij als eenen door Jehovah gezalfden Koning aanwijst, is niet te wederspreken (1) ; even min dat hij dezen een' oorsprong en bestaan toekent, door welke Hij boven alle schepselen oneindig verheven is. In den tweeden Psalm stelt hij Hem voor in Zijne betrekking tot God, als een natuurlijk kind tot zijnen vader ; daar hij Hem Sjiekende invoert en in den mond legt, »dat Jehovah Hem Zijnen Zoon noemt en Hem gegenereerd heeft." Zegt deze Gezalfde, dat God Hem Zijnen Zoon noemt: de nader bijgevoegde oro^chrijving drukt uit, in welken zin wij dat zoonschap te verstaan hebben, niet.in dien van voortreffelijk geschapen wezen, maar in dien van eigen- natuurlijken Zoon; want Jehovah^ had Hem gegenet&syd, in onze taal, geteeld. Geeft dit woord, van menschen gebruikt, te kennen dat een kind of zoon nit het vleesch en bloed zijns vaders gewerden en geboren is: hetzelfde doet dit ten opzigte van God, over-

(1) Heb. I: 5 ; 8 en 9.

f

Sluiten