Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch de nitdrukking ia verband met het voorgaande en volgende beschouwende, worden wij in deze meening bevestigd. Zien wij terug op de rede, welke den tekst voorgaat, dan zien wij terstond, dat wij deze betuiging in geenen anderen zin dan in dien van éénwezenheid met God kannen nemen. De Heer spreekt tot de Joden van Zijne magt in het bewaren van hen, die Hem van Zijnen Vader gegeven waren, welke Hij Zijne schapen noemt; niemand, zegt Hij , zou dezelve uit zijne hand rukken. Wie Hij door het woord niemand verstaat, heldert Bij zelf in het onmiddellijk volgende op , zegoende: niemand kan hen rukken uit de hand mijns Vaders, dat is, en kan niet anders zijn dan: niemand der schepselen. Zou dan niemand der sebepselen Hem, zoo min als Zijnen Vader, Zijne schapen ontrukken: Hf spreekt hier dan van een vermogen, dat Bij had, niet slechts boven alle schepselen, maar hetwelk gelijk was aan dat van Zijnen Va ler, en dus van een almagtig vermogen ; en laat onmiddellijk daarop volgen; Ik en de Vader zijn één ; waarmede Hij dus niet anders kan willes zeggen dan: wij zijn één in vermogen, Ik heb hetzelfde vermogen als mijn Vader. En zoo verstonden bet «ok de Joden, die daarom steenen opnamen om Hem testeenigen, en Hem op Zijne vraag, om welk werk steenigt gg mij? antwoordden : wij steenigen u van wege uwe Godslastering, omdat gij, een mensch zijnde, u zeiven God maakt. Nu moet blijken, of de Joden Hem wèl begrepen hehbendan niet. De Heer geeft wegens deze beschuldiging Zijne verwondering te kennen (1), en toont hen aan, niet dat zij in hunne meening dwalen, en Hem in deze Zijne betuiging niet wel begrepen hebben, maar dat hun gedrag jegens Hem hoogst onbillijk was, en bevestigt alzoo veeleer deze hunne meening, dat Hij zich zeiven God maakte, zeggende: » indien Ik niet doe de wer-

(l) Joh. X: 32.

Sluiten