Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken mijns Vaders , zoo gelooft mij niet; maar indien Ik dezelve doe, en zoo gij mij niet gelooft (op mijn woord), zoo gelooft de werken, opdat gij moogt bekennen en gelooven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem (1)." Ook geeft Hij, alvorens tot deze sluitrede te komen, Zijne verwondering over hunne onbillijke handelwijze te kennen, zeggende: »is er niet geschreven in uwe wet: Ik heb gezegd, gij zijt Goden ? indien de wet die Goden genaamd heeft, tot welke het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden, zegt gijlieden tot Mij, dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft,, gij lastert God, omdat Ik gezegd heb, Ik ben Gods Zoon (2)?" Bij eene aandachtige lezing van deze toespraak des Heeren zien wij , dat Hij zich hier als Zone Gods niet tegen over menschen stelt, die in de H. Schrift Goden genoemd worden, maar als geheiligde en gezondene des Vaders tegen over de H. Schrift; zoodat wij hier niet moeten lezen, alsof Hij zeide : noémt de wet of de H. Schrift menschen , aan welke God op eene buitengewone wijze bevelen heeft gegeven , Goden : hoe duidt gij, Joden, het mij dan ten kwade en zegt, dat Ik God laster, als Ikzeg: Ik ben Gods Zoon ; —maar dat Hij gezegd heeft, en wij dus moeten lezen: Joden, leest gy in de ff. Schrift, dat buitengewone menschen Goden genoemd ■worden, en buitengewone eernamen worden waardig geacht; heeft de H. Schrift bij u gezag, kan dezelve, niet verbroken , niet als feilbaar beschouwd en tegengesproken worden ; houdt gij alles wat gij in dezelve leest als heilig ? hoe eerbiedigt gij dan Mu niet, die even zoo onfeilbaar ben, en even zoo min mag tegengesproken worden als de ff. Schrift, daar Ik van den Pader geheiligd en in de wereld gezonden hen, en mijne werken u dit getuigen ? noemt gij MlJ, den Onfeilbar en, eenen Godslasteraar, omdat ik u naar waar-

"^i7vTs7T38r" (2) vs. 34-36.

Sluiten