Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een gezag, in het beschikken over het aardsche paleis, het heiligdom van Jehovah, aan te matigen, hetwelk geen' mensch toekwam, en zich bovendien een vermogen hebben toegekend, hetwelk een bovenmenschelijk, een almagtig vermogen was. Daarom vraagt de Hoogepriester op deze beschuldiging aan Hem , die op alle voorgaande gezwegen had, en ook deze niet wederlegt: antwoordt gij niets ? doch Hij zwijgt ook op deze uitnoodiging stil, waaruit de Hoogepriester vermoedt, dat deze laatste naar waarheid was, en verlegenheid Hem belette zich wegens dezelve te verantwoorden. Deze bezweert Hem daarom, n schijnbaar heiligen ijver voor Gods eer, dat Hij hem en den geheelen Baad, niet met dubbelzinnige, 'maar met ronde en korte woorden zal zeggen , of Hij de Christus, de Zone Gods, de eigen, natuurlijke Zone Gods is, God volkomen gelijk, en zich daarom een gezag en een vermogen kan toeëigenen, dat God alleen bezit. En nu is Zijn antwoord gereed ; Hij betuigt die te zijn, en wel in den zin, in welken de Hoogepriester Hem dit gevraagd had. Dit toestemmend antwoord treft, zoo het schijnt, cajaphas in de ziel; hij scheurt zgne kleederen , en roept in schijnbare ontroering uit: Hij heeft God gelasterd 1 en vraagt, als daarover verontwaardigd , aan den Raad: wat hebben wij nog getuigen noodig? wat dunkt ulieden? en daarop verklaart deze, die ook in dit zijn antwoord Godslastering vindt, Hem des doods schuldig. Wij zien dus hieruit, dat de Hoogepriester en de geheele Raad de bewoording Zone Gods in den eigenlijksten en verhevensten zin genomen hebben.

Nu eens gesteld, dat de Heere jezus de eigen, de natuurlijke Zoon van God niet is, en dat Hij alzoo Zijn gezegde, Zone Gods, niet in dien hoogst verheven zin bedoeld had: was het dan nn de tijd en de gelegenheid niet, dat Hij, hoorende dat de Hoogepriester en de geheele Raad hetzelve in dien tin nemen en verstaan, zich

Sluiten