Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuldigden, daar niemand de zonden kan vergeven dan God alleen (1). Herinneren vrij ons ook, hoe Hij de verborgene overleggingen1 des harten Zijner vijanden gadesloeg, en ook die eener ongelukkige vrouw, te midden van eene Hem dringende menigte (2); — hoe Hij nathanaöi., dien Hij nooit gezien had, kende niet alleen, maar geheel doorzag (3) ; — dat Hij wist wat in de zee omging, en wat een eenige visch onder millioenen in had, en daarom petrus naar het strand zendt en den visch bestuurt , zoodat deze het eerst aan den angel hecht, of dat Hij in denzei ven dat stuk geld schiep, dat juist genoegzaam was om daardoor den tol , welken men van Hem vorderde, te voldoen (4). Deze daadzaken zullen tot genoegzame bewijzen verstrekken, dat Hij eene wetenschap en vermogen bezat, Gode alleen eigen.

Ook nadat Hij in den hemel verhoogd is, heeft Hij meer dan één bewijs van 'djfr Zijn vermogen en deze Zijne wetenschap op aarde gegeven, en van zich zeiven getuigd , zoo als geen schepsel, hoe verheven ook, van zich zeiven getuigen kon. Op den eersten Christen Pinksterdag zien wij Hem, volgens de getuigenis van den Apostel petrus (5), in de uitstorting van den H. Geest als een almagtig, alwetend Wezen, vol majesteit en heerlijkheid werkzaam. Dit betoont Hij te zijn in de verschijning en in de hartsomzetting van saulus , welken Hij , schoon in den hemel, naoogt, en wiens voornemen Hij kent (6). Ook verschijnt Hij aan den Apostel johahnes, en betuigt dezen, dat Bij is de Mmagtige, dat Hij de zeven gemeenten , en elk lid derzelve, van nabij- kent, dat deze allen zullen weten, dat Bij het is, die harten en nieren onderzoekt, hetwelk Jehovah zich alleen toeeigent (Jer. XVII: 9 en 10), dat Bij, hoewel in den hemel, echter

(1) Mark. II: 3—12. (2) Matth. Jj£; 20—22. (3) Joh. I: 48—50. (4) Matth. XVII. 24—27. (5) Hand. II: 33. (6) Hand. IX: 1—11.

Sluiten