Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heere jezus en niet God den Vader bedoelt, overtuigt ons, vooreerst, de onderscheiding, met welke hij van God en van den Zone Gods spreekt; hij kent de geboorte der Christenen nit God aan den Vader, en het kennen van God den Vadër aan den Zoon toe. Ten tweede, zijn schrijven : wij zijn in den Waarachtigen. Dat het den Apostelen eigen is te zeggen en te schrijven, dat de geloovigen in christüs zijn, en zij daardoor verstaan met Hem ten allernaauwste vereenigd, één geheel met Hem te zijn, lezen wij bijv. 2 Corith V: 17, 21. 1 Joh. II: 6, 28. Eph. IV: li—16, enz. Welke vereeniging de Heer zelf Zijnen discipelen in de gelijkenis van den wijnstok (Joh. XV) geleerd heeft. Met het zijn in den Waarachtigen , bedoelt de Apostel dan ook hier niet den Vader maar den Zoon, dien hij alzoo met den eerstgenoemden Waarachtigen, met God den Vader gelijk stelt, en laat daarom, ten einde hem wel te verstaan, onmiddellijk daarop volgen : in Zijnen Zoon jezus christüs , en bevestigt dit, ten derde, nader met te schrijven: Deze is de waarachtige God en het eeuwige leren. De omschrijving, welke hij van dezen Waarachtigen geeft, dien hij het eeuwige Leven noemt, duidt ons ook aan, dat hij door Deze niet God den Vader, maar God den Zoon bedoelt, vermits de Apostel, Hoofdst. I: 1,2, van dezen brief, den Heere jezus het Woord des levens en het eeuwige Leven noemt. Dit wordt ons eindelijk nader bevestigd door de waarschuwende vermaning, met welke hij zijnen brief besluit : »Kinderkens! bewaart u zelren van de afgoden (1)." Hoe vreemd verschijnt hier deze vermaning ten opzigte van geheel den brief en ook van het laatst voorgaande, indien hij door het zijn in den Waarachtigen, en door: deze is de waarachtige God en het eeuwige Leven, niet den Heere jezus bedoelt. Maar

(1) 1 Joh. V: 21.

Sluiten