Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe natuurlijk is het integendeel, dat hem aan het slot van dezen brief — in welken hij verdedigt, dat jezüs is de Christus , de Zone Gods, en betuigt dat die de antichrist is, die den Zoon loochent, en dat jezüs Christus de waarachtige God en het eeuwige Leven is — eenigzins de vrees bekroop, dat de Christenen, door misbegrip, aan twee goden zouden denken, en daarom hen vermaant, dat zij, hoewel God de Vader en God de Zoon in het goddelijk Wezen onderscheiden bestaan, echter nooit meer dan aan éénen God moesten denken , in Hem als izoodanig gelooven, en zich voor alle afgoderij of het erkennen van een veelgodendom zorgvuldig moesten wachten, h - Een ander Apostel, thomas , hoewel wij dezen diét; een even gelijk doel als den Apostel johannes kunnen toekennen 3 als willende ons de Godheid van zijnen Heer verzekéren , bevestigt); ons niet minder deze waarheid met j^angezegde: »Mijn 'Heer en mijn God (1)." Dat wij hier niet maar alleen eene uitroeping van bewondering, maar tevens eene erkentenis van des Heeren Godheid vinden, waarborgt ons de Apostel zelf, en verzekert ons de wijze op welke, als ook de gelegenheid bij welke hij! dezelve doet.

Wat den Apostel zeiven betreft , indien men deze zijne uitroeping alleen! in den zin van bewondering wilde nemen , zou men hem van misbruiken van Gods naam moeten beschuldigen, vermits hij de jammerlijke gewoonte zou hebben ,gehad, om bij voorkomende, verrassende gevallen , dién naam onnadenkend uit te spreken; kunnen wij hem daarvan niet beschuldigen , dan is het niet waarschijnlijk dat hij , daaraan ongewoon , zich nu dit woord onbedacht laat ontglippen, hoe verrassend en verblijdend hem de verschijning zijns Meesters ook moge zijn. Zulks wordt ons nader bewezen door de wijze, op Welke hij

(1) Job. XX: 28.

Sluiten