Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De herders op het veld ontvingen in dien nacht een zeer buitengewoon bezoek. »En ziet, een Engel des Heeren stond bij hen," een der duizenden hemelboden, of, gelijk zij in den Bijbel worden genoemd, »gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen." Op hetzelfde oogenblik werd door de herders een verblindend licht gezien: »de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met groote vreeze." Nu mogen wij niet met den vinger dreigen en uitroepen: »Foei, foei, herders! ge hadt niet zoo bevreesd moeten zjjn!" En waarom mogen wij dit niet doen ? Omdat de Heer zegt: »Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben;" en ook om de heel eenvoudige, maar alles afdoende reden, dat, ware ons zulk een bezoek te beurt gevallen, wij waarschijnlijk nog veel angstiger zouden geweest zijn, en, heigeen de herders niet deden, in allerijl de vlugt zouden hebben genomen. De Engel, in plaats van de verschrikte mannen zuur aan te zien en te berispen, sprak tot hen twee regt minzame en bemoedigende woordjes: »Vreest niet!" Deze twee liefelijke, ook voor ons zóó bemoedigende woorden, vinden wij, als ik mij niet vergis, zeventigmaal in het Oude, en achttienmaal in het Nieuwe Testament opgeteekend. — Bovendien bragt de hemelgezant den herders de heugelijke en tot groote blijdschap en dankbaarheid stemmende boodschap: »Heden is u geboren de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe." De schrik der goede herders was nu ten eenenmale geweken, waartoe niet weinig zal hebben bijgedragen het volgende hartverhef-

Sluiten