Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dige wankelmoedigheid, daar hij, ziende eene harde windvlaag, aanstonds zonk en schreeuwde. Helaas! dit een en ander teekent maar al te zeer het beeld van vele geloovigen, wier berg schijnbaar zoo vast staat als of zij niet wankelen zoude in eeuwigheid. Maar ook in dezen nood betoont Jezus onze Eedder Ie zijn. Hij is toch de Eedder tot wien Petrus riep en elke christen in den nood roepen mag; de Eedder, die aan zijnen zwakken jonger en nog aan alle kleinmoedigen toeroept: gij kleingeloovige! waarom hebt gij gewankelt? Ziet alzoo' leidt en leert onze Heer al zijne vrienden» opdat zij Hem volgen zouden in den verordenden weg, getooven op zijn woord, en vertrouwen op zijne magt. En is het nu niet, dat onze Heiland zijne Kerk en elk van zijne aanhangelingen leidt tot die erkentenis, welke wij bij Mattheus lezen, dat zij Hem allen aanbaden en gemeenschappelgk uitriepen: Waarlijk Gij zijt Gods Zoon ! Dat was voorzeker eene nieuwe, vruchtv bare en zalige overtuiging, welker verdieping in het Christendom tot de sehoonste gevolgen leidt en veler harten aan den Heiland voor eeuwig verbinden moet.

Doch nu komen wij, aan de hand der geschiedenis, vs. 22—29, tot eene opmerking ten aanzien van diezelfde menschen, welke den Heer voor Koning der Joden hadden willen uitroepen, dal de onvoldoende belangstelling in den Heer Jezus Christus door Hem zeiven werd ontdekt en leregt gewezen. Wij vinden toch in deze verzen allereerst eene belangstelling in den persoon des Verlossers, die zeer sterk schijnt te zijn, en wij mogen dit met een oog op ons zeiven wel ter harte nemen. Zij hebben toch den mond vol van den Heer en schijnen dus hunne aandacht geheel en alleen op Hem te vestigen vs. 22. Zij zoeken zelfs met moeite en kosten naar Hem vs. 23, zij toonen bovendien ijver in het spreken tot Hem, maar hun ijver

Sluiten