Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooreerst geheel voorbij wat de Heer al gedaan had: al zijn onderwijs, al zijne wonderen te Kapernaura en door geheel Galilea en dan nog die wonderdadige spijziging op den voorgaanden dag, en dat deden zij, die zooveel ijver in Hem op te zoeken en overal na te wandelen betoond hadden en die door den Heiland waren teregt gebragt. Daarenboven eischen zij met bitterheid, want zij willen nieuwe teekenen; zij willen zien en dan gelooven en in weerslag op zijn voorstel, dat zij werken moesten om de spijs dié niet vergaat, spreken zij op hunne beurt ook van werken en roepen uit: wat werkt Gij? En wat nog al sterker spreekt, hun woord werd met verachting en tot vernedering van den persoon des Verlossers uitgesproken. Zij doelen toch duidelijk in vs. 31 op de woestijngeschiedeni«» Exod. XVI verhaald, dat in Israël eiken dag twee milliocnen menschen met het manna, dat van den hemel daalde, gespijzigd werden. Zij erkennen dus wel eenigzins, door de aanhaling van een gezegde uit Ps. LXXVIII, dat God dit alles gaf, maar blijven toch meer op het stoffelijk genot hechtenx en geven bovenal heimelijk te kennen, zoo als wij ook uit het vervolg duidelijk zieri, dat Mozes de groote man was, die dit alles onder zijn volk deed. Inderdaad zulk een ongeloof spreekt luide en sterk, vooral naarmate wij het ook in onze dagen nog menigwerf hooren en niettegenstaande al deszelfs ongerijmdheid nog steeds blijven hooren. — Maar daarom willen wij des te meer op de wederlegging van onzen Heiland acht geven, zoo als wij die"' vs. 32 en 33 vinden mogen. Daar toch lezen wij als uit zijnen mond: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u : Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel; maar mijn Vader geeft u dal ware brood uil den hemel; want hel brpod Gods is Hij die uit den hemel nederdaalt en die der wereld het leven geeft. Kenbaar is het, dat deze weder-

Sluiten