Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derd worden door de ontdekking, welke ouze Verlosser als de Alwetende daarbij heeft gedaan. Immers zeide de Heer naar het 70ste vs. IJ eb ik niet u twaalven uitverkoren? en één uit u is een duivel. Duidelijk is het dat Hij bij zijne vraag: Heb ik niet u twaalven uitverkoren? geensr zins spreekt van de verkiezing tot zaligheid, welke elders geleerd en ook door onzen Heiland erkend' wordt, dewijl er onder de twaalf uitverkoren geenszins een duivel zijn kan. Onze Heer spreekt van het Apostelschap: //Heb ik ,i niet aan u twaalven de onderscheiding, de eer en het ii voorregt gegeven van mijne gezanten te zijn ? en evenwel //is er één in u midden, welke, aan den duivel gelijk, # een vijand en tegenstander zijn zal," doelende daarmede zoo als Johannes in vs. 72 zegt op Judas, wTelke eenmaal zijn verrader zijn zou. In zulk een woord ontdekt de Heer zijne alwetendheid, die allen en alles kent en doorgrondt. Eer nog Judas iets van het verraad in het harte nam) kende de Heer zijnen aanleg tot aardscbgezindheid: zijne zucht tot een aardsch Messiasrijk en het gevaar, waarin bij komen zou, en wat eenmaal de uitkomst van zijne duivelsche handeling moest wezen. Al de Apostelelen moQsten bij vernieuwing weten, met welk een' goddelijken Heiland zij te doen hadden en hoe grootsch de ontwikkeling van zijn leven zijn zou; elk moest voor zich zei ven door zulk een ontzettend woord gewaarschuwd en tot bedachtzaamheid geleid worden; terwijl Judas nu nog niet wetende, dat hij later, geheel vrijwillig de verrader van zijnen Meester worden zou, niet op zich zeiven zoude vertrouwen, ten einde nog voor zijn1 gruwelijken aauleg en daad beveiligd te worden; terwijl wij in Jezus zien den Alwetende, die zijn eigen lot kent en kiest en geen haarbreed terugkeert, maar sterven wil, om het leven dezer wereld te zijn.

Sluiten