Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Allereerst moeten wij wel opmerken dat onze Heer hier bepaaldelijk van Zijne ware dienaren spreekt. De Heer gewaagt uitwijzens de uitdrukkelijke aanwijzing van Marcus wel tot allen, maar echter niet van allen, (vergel. Matth. 16:24 en Luc. 9:23.) maar bepaaldelijk van de zoodanigen, die een wil helmen om achter Hem te komen. Dat heeft ~de mensch van nature niet. Door onkunde en blindheid vestigt hij zijne aandacht meer op de aarde en het aardsche dan op God en godsdienst en dus allerminst op Jezus en het volgen van Hem. Vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid, die in ons is, en door de verharding onzer harten, missen wij het leven dat in gemeenschap met den Zaligmaker staat en zijn dus van Hem geheel vervreemd. Dienaren der zonde, die wij daar zijn, is het bedenken des vleesches vijandschap tegen God, het onderwerpt zich der wet Gods niet en het kan ook niet, én zou dan Jezus voor zulk een hart iets aantrekke lijks hebben? 't Is waar wij leven toch als zedelijke menschen, onder het Evangelie en deszelfs prediking, I maar de Joden van Jezus , dagen hadden dat zelfde voorregt en nogtans zien wij in hen het beeld van de christenbelijders onzer dagen maar al te zeer. Bij hen heersbhten er vele: en velerlei vooroordeelen tegen Zijn persoon en tegen Zijne dienst, van allerlei aard, .waardoor men in Hem niet ontdekt, wat men eigenlijk verlangt, of Hem en zijne dienst zoo gaarn vervormen wilde naar eigen vinding, keus en smaak en is dit nog onder ons niet alzoo? Vindt men daarom Zijne leer en Zijne dienst ook niet te streng, te somber en naargeestig? Bij hen huisvestte rijkelijk aardschgezindheid, die den boventoon had> welker voldoening-men in de eerste plaats zocht en voor welke al ■ wat redelijk en geestelijk was moest achterstaan' en is dat alles onder ons wel iets beter ? Bij heu vond men eigenzinnigheid, betwete-

Sluiten