Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt, alzoo wordt voor menigeen het gemis van rijkdom en eer, van vriend en magen, hoe bedroevend op zich zeiven ook, de beste aanwinst voor tijd en eeuwigheid en eene bron van het grootste geluk; maar als de ziel aan zich zelve, aan haar leven uit God, aan haar geluk ontzonken is, dan is zij voor eeuwig verloren en is zoo reddeloos ongelukkig als de duivelen in de bel zijn. Dat alles is eeii drang des levens die bij een iegelijk onzer onwederstaanbaar moet zijn.

Nog sterker moest deze drang werken, als wij bedenken; dat het op de vraag aankomt of onze ziel al gered is? Een van beide kan toch maar waar zijn, onze ziel is of reeds gered voor de eeuwigheid of zij is dat niet, en wij zijn nog in de staat der rampzaligheid. Maar indien dit laatste waar is, zijn wij dan niet de rampzaligste onder Gods schepselen? Zijn wij dan niet in gevaar, om voor eeuwig om te komen en ons zeiven in eindeloos ongeluk te storten? Niemand zegge, dat men daar van geene bewustheid, geene zekerheid hebben kan, dat is voorzeker eene misleiding van den vorst der duisternis, want het tegendeel is waar. De vraag is slechts, en deze kunnen en moeten wij beantwoorden: //Hebt gij er bewustheid vair, dat gij uit den dood in het leven zijt overgegaan en dat het gansch anders bij u geworden is, dan het eertijds met u was?" De vraag is maar: //Is Jezus Christus al in u geopenbaard, zoodat Hij, die eertijds geen plaats in uw binnenste had, nu in u woont en meer en meer eene gestalte verkrijgt?" De vraag is eigenlijk: „hebt gij • de bewustheid in uw gemoed, van welke Paulus zegt: Gods Geest getuigt met onzen geest dat teij kinderen Gods zijn?" Laat ons met zulke vragen tot ons zeiven inkeeren en ons bij gunstige of ongunstige beantwoording verblijden of veroot-

Sluiten