Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

levensvraag, welke in de diepte van het voor geluk en genot bestemde hart ingreep, terwijl hij nu eindelijk de getrouwe behartiging van zijnen naam en van zijne zaak door de algeheele uitkomst ten sterkste voordraagt en aandringt. Dat intusschen tot dit' laatste stuk niet slechts het slot van Marcus VIII, maar ook het eerste vers van Hoofdstuk IX behoort, en dat dit door eene gebrekkige kapittelverdeeling van het VIIIe Hoofddeel afgescheiden is, blijkt duidelijk uit de vergelijking van de gelijkluidende plaats Matth. XVI: 28, zoo als daarna ook bij beide Evangelisten de verheerlijking van Jezus op den berg in den schakel hunner verhalen daarop volgt. Zullen wij dan nu overeenkomstig hetgeen de Heer gezegd heeft bij de getrouwe behartiging van Christus naam en zaak vertoeven, zoo als Hij dezelve door de uitkomst krachtig heeft aangedrongen, dan willen wij door Hem opmerkzaam gemaakt worden: vooreerst op het gevaar waarin zijne belijders verkeerden; ten anderen op het jammerlijke loon dat op de verloochening van den Christus te wachten was; ten derde op de heerlijke uitkomst in tegenstelling daarvan te genieten, en eindelijk op den sterken aandrang in dit een en ander gelegen, om standvastig en getrouw te zijn.

Allereerst letten wij dus op het gevaar waarin de belijders van onzen Heer, overeenkomstig zijn woord verkeerden. Onze Heiland zegt toch: zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben in dit overspeelig en zondig geslacht. Immers ontdekt Hij in deze woorden de oorzaak van het gevaar — het misdrijf waartoe men alsdan vervallen kan — en de ontzettende geaardheid van 'dat misdrijf.

Met opzet en nadruk gewaagt onze Zaligmaker van dit overspeelig en zondig geslacht, en leert daarin de aanleidende oorzaak van het gevaar kennen, waarin zijne belijders

Sluiten