Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetenden en heiligen Meester te doen hebben, die niet slechts aanziet wat voor oogen is, maar die het hart kent en doorgrondt, die al onze dwaasheid en verkeerde neigingen ziet en hoe dikwerf wij ongelijk aan ons zeiven zijn, voegt ons dan zulk een ootmoed niet? — Maar het is niet alleen ootmoed, waartoe de aanbeveling van onzen Heiland verph'gt, het is ook en niet minder geloof. Daarom zegt Hij, in vs. 5, en zoo me zoodanig een kind ontvangt, in mijnen naam, die ontvangt mij, en noemt ze in vs. 6, degenen die in hem gelooven. Dat kan das geen plaats hebben of wij moeten voor Jezus een onbepaald crediet bezitten, zijne leer geheel zonder eenige uitzondering, aannemen en ons op Hem en zijn Woord verlaten, anderzins gehoorzamen wij zulke gewigtige en voor onze natuur zware lessen niet. Dat kan dus geen plaats hebben, zoo wij Hem niet liefhebben door het geloof, zoodat wij om zijnen wil alles zouden doen, wat Hij begeert en beveelt. Dat kan dus geen plaats hebben, zoo wij al de kinderkens, de kleingeloovigen, de heilbegeerigen naar den Heiland niet aannemen als onze broeders en zusters in den Heer, niet gereedelijk alles voor hen zijn en niet in den geest van ootmoed, liefde en geloof aan elkauders waar belang voor de eeuwigheid wenschen werkzaam te zijn. — En moet zich dan eindelijk met ootmoed en met dat geloof niet bedachtzaamheid paren als een pligtmatig gevolg van 's Heilands onderwijs? Als wij des Heeren uitspraak in vs. 6, en 10 inzien, dan worden wij toch gewaarschuwd tegen het ergeren van de kleingeloovigen, die zoo ligt geschokt, verschrikt en verslagen zijn, wanneer zij door meergevorderden niet met bedachtzaamheid en voorzigtigheid behandeld worden. Als wij vs. 6, en 7 lezen, over het geduchte lot dergenen, die anderen opzettelijk ergernis geven door den hoogmoed en de waanwijsheid van veler uitspraken, worden wij dan

Sluiten