Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1851 ook de eilanden Roity en Timor, — zijnde er in 1857 ter hoofdplaats Timor-Koepang alleen nog over de Zendeling wd. Leëraa» G. Heijmering, die aldaar sedert 1833 werkzaam is, en in 1836 ook als Onderwijzer werd aangesteld bij de in dit jaar opgerigte Gonvernements-school te Timor-Koepang.

Ook op het eiland Banka was in 1836 een Amerikaanséh Zendeling, met name Julius Berger, werkzaam.

In het gebrek aan Predikanten werd dus eenigzins door Zendelingen voorzien, doeh aanhoudend werd door de Regering zoowel als door den Bataviaschen Kerkeraad met grooten drang verzocht, om toch een toereikend getal Predikanten uit Nederland naar Indië te beschikken. Aan den in 1835 naar Nederland terugkeerenden Predikant Dr. B. Lenting werd door den Kerkeraad van Balavia opgedragen, om dit doel met al zijn vermogen te bevorderen, en hiertoe bij de Kommissie voor'de zaken der Protestantsche kerken in Ooit' en West'Indiè het noodige te doen.— Het Koninklijk Besluit van 14 Augustus 1824 n°. 118 bepaalde wel, dat de Predikanten voor Oost-Indië voortaan,in de 2de klasse, in stede van in de 3de klasse, (zoo als tot hiertoe geschied was,) zouden worden uitgezonden , doch dit mogt weinig baten, evenmin als de toelage uit de koloniale kas, welke aan Studenten werd beloofd, die zich tot Predikanten voor. Oost-Indië zonden willen bekwamen. Men zag geen opgewektheid ota Leeraar te Worden bij de Indische Kerk.

In het jaar 1836 werd er voor het eerst een Predikant, t. w. P. van Laren, te Soerakarla geplaatst, tevens belast met de dienst te Djocjokarta, Banjoemaas, Bagelen, Kadoe en Paljilan.

Sluiten