Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denzelfden zin hébben de woorden, die wij in Ps. n5; 17,18 aantreffen. «De dooden zullen den Heere niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.» Hij spreekt Tan 't geen kier beneden, niet van 't geen in de Hemelen geschiedt. Hier beneden dus zullen de dooden den Heere niet prijzen, noch die in de stilte zijn neergedaald. Waar is de dichter, waar zelfs de proza-schrijver, die niet dikwerf van een afgestorvenen zegt, nu zwijgt hij, nu is hij inde stilte nedergedaald; en zou men wel met eenig recht uit soortgelijke uitdrukkingen opmaken, dat die dichter of proza-schrijver op den toestand der ziele des afgestorvenen zou gedacht hebben ! maar ook hier ligt de dwaling in de verkeerde opvatting dat de stilte hierme< den doodslaat verward wordt, terwijl zij niet anders dan het graf beteekent, als de plaats waar het doode ligchaam of zoo als wij ook wel zeggen de doode , de persoon des afgestorvenen geborgen wordt. Ook in Ps. 118517,18 zegt David. «Ik zal niet sterven, maar leven en ik zal de werken des Heeren vertellen. » Nu moet een Van beide waar zijn, of David heeft hier op zijne ziel het oog gehad, en dan moet men aannemen , dat David van gevoelen was dat alleen vóór den dood de werken des Heeren geprezen worden, 't geen gelijk zou staan met eene ontkenning van de onsterfelijkheid der ziele; of David had het oog volstrekt niet op zijne ziele of zielstoestand , maar geeft eenvoudig en natuurlijk met deze woorden alleen dit te kennen: De Heer heeft mijiweer uit het gevaar gered, ik zal niet sterven, maar ikzal leven en nu, aan de menschenkinderen vertellen de werken des Heeren , daar ik nog niet in het graf ben gedaald, als wanneer ik dit niet zou hebben kunnen doen.

En als de Pred. (IX 5—10) zegt: De levendige weten dat zij sterven zullen, maar de dooden weten niet met allen en daar is geen werk, noch verzinning noch wetenschap noch wijsheid in het graf, daar gij henen gaat.

Sluiten