Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuwige heerlijkheid zullen beërven, als een soort van straf of kastijding beschrijft, bestaande in een naar ziel en ligchaam volstrekte bewusteloosheid tot den dag der opstanding, meen ik te hebben aangetoond dat, mits in den eenvoudiger» én natuurlijken zin verklaard, er noch schijn , noch schaduwe voor die gevolgtrekking in te vinden is.

En wij hebben ons niet verborgen achter het onhoudbaar argument, dat gebrek aan inzigten de oorzaak is van de uitdrukkingen gebezigd in 't O. T. aangaande den stèat des doods, den tusschenstaat der ziele, daar wij getoond hebben dat er in geen der aangehaalde plaatsen over den staat des doods,W)ch. overdie der jz/e/egesprokenwerd, maar wel over het graf en dus de plaatse, waar 't geen stof was , weer tot stof zou wederkeeren.

Doch laat ons nu verder onderzoeken, welke gronden men in het N. T. meent te hebben , om het door ons bestreden gevoelen te verdedigen.

F. Reeds dadelijk komt het woord, de slaap, in aanmerking, die even als in 'tO. T. voor den dood gebezigd wordt. Mijn antwoord is ook hier weer, dat de dood een slaap genoemd wordt niet xard rö op, niet om 't wezen, de natuur des doods te kennen te geven, maar xard rö aaivópfvov of naar 't verschijnsel en wel bepaaldelijk op het ligchaam toegepast. Lazarus onze vriend slaapt, zegt de Heere, maar lk ga henen om hem uit den slaap op te wekken (Joh. XI: 11—14' En nu, waar is het, dat het volstrekt niet des Heilands bedoeling kan geweest zijn, door deze uitdrukking te willen zeggen , het is mij even gemakkelijk eenen doode levende te maken als een slapende op te wekken. Neen , maar de Heere gebruikt de zoo algemeen aangenomen en zoo eigenaardig met den natuurlijken slaap, wat het voorkomen betreft, overeenkomende benaming van slaapen voor gestorven zijn; immers dat

Sluiten