Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juiste opvatting ligt daarin, dat men den aart der droefheid van de Thessalonicensen niet goed inziet en daardoor ook niet die hunner vertroostingen. Zij waren niet bedroefd en als in twijfel ten opzigte van den toestand waarin de zielen der afgestorvene broeders verkeerden of zij wel zalig waren ; dan gewis had de Apostel hen vertroost door de gedachte optewekken aan dezaligheid,die zij werkelijk genoten. Maar zij waren bedroefd en in twijfel of die afgestorvene geloovigen wel de openbaring van Jezus heerhjk Koningrijk zouden bijwonen —nu , om hen dit laatste te bevestigen , als hetgeen bij de wederkomst des Heeren en bij de eerste opstanding zou plaats hebben, verklaart hij hen dat die dan leven zullen— niet zullen voorkomen dergenen die ontslapen zijn ,als welke zullen opstaan, met den Heere wederkomen en zoo zullen zij die levendig over zullen blijven en die in den Heere ontslapen zijn tezamen opgenomen worden in de wolken , den Heere te gemoet m de lucht en alzoo altijd te zamen met den Heere wezen.

Als men nu die eenvoudige en geheel uit het verband zelve ontleende verklaring van Paulus woorden regt overweegt , dan ziet men dat er volstrekt geen grond in is om in dezelve eene ontkentems der dadelijke zaligheid der afgestorvene geloovigen te vinden. Maar hoe dan de zielen onder het altaar, van hen die gedood werden om het Woord Gods en die met een ongeduldig verlangen uitroepen , hoe lange Heere , wreekt gij niet ons bloed (Openb. VI: 9.) Deze beschrijving, zegt men, toont klaar, dat de zielen der martelaren, zuchten en klagen, dat zij nog niet zijn opgewekt — nu , hoe dit te rijmen met het dadelijk genot van zaligheid ? Is het niet veeleer een bewijs, zoo redeneert men voort, van het tegendeel ?» Neen gewisselijk : geen klagen noch zuchten bij wijze van smart lijden ligt in de gebezigde uitdrukking maar wel een vurig verlangen na het tijdstip van de wederkomst

Sluiten