Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men aldus. Wanneer wij nu alle deze verklaringen tezamen voegen en onderling vergelijken , dan blijkt het dat de vergelding van hetgeen in deze tegenwoordige wereld door het ligchaam geschiedt, slechts aan den grooten oordeels dag en niet aan de overgang uit dit leven wordt vastgemaakt , zonder dat er eenige melding gemaakt wordt van dien tusschenstaat. Maar waarom dit, indien die tusschenstaat voor de gestorvene geloovigen een staat van hemelsche gelukzaligheid zijn zou?

Deze redenering oppervlakkig beschouwd levert in schijn een gewigtig argument voor de stelling , die wij bestrijden - doch het is ook slechts in schijn - Ons antwoord is dan— vooreerst indien men door de hemelsche zaligheid de volmaakte en volkomene zaligheid verstaat, dan zijn wij het geheel eens. Neen gewisselyk, de gestorvene geloovigen genieten niet die volmaakte en volkomene zaligheid dadelijk na den dood, maar eerst bij de opstanding , als wanneer zij eerst naar geest, ziel en ligchaam tevens geheel verlost en vrij znllen zijn. Hier ligt intusschen geen zweem zelfs van bewijs voor de veronderstelde bewusteloosheid der zielen na den dood - maar waarom zoo vraagt men verder, zouden alle de aangehaalde plaatsen dan alleen de vertroosting in den dag Chkisti bij de opstanding voorstellen voor de kinderen Gods? Hierop antwoord ik: Niets is meer verwijderd van den geest des Evangelies dan het Egoismus - alles is in gemeenschap - lijden zoowel als vreugde — altijd wordt niet een lid als individu maar alle de leden te zamen van het ligchaam Christi beschouwd in de toepassing der vertroosting en daarom wijst de Apostel niet op den gelukstaat van de ziel dadelijk na den dood , want dit geldt alleen de individu, maar tot de volmaakte en algeheele geluksgenieting van een kind van God behoort het dat alle zijne mede verlosten van den vloek hetzelfde geluk deelen

Sluiten