Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bewust zijn behoort bepaaldelijk tot de ziel gelijk het gevoelig zijn tot hel ligchaam : even min nu als het ligchaam des slapend en gevoelloos is even min is de ziel na den dood bewusteloos. Ja ik ga verder, even als het ligchaam, dat leeft, zich juist daarin van een dood ligchaam onderscheidt , dat het gevoel heeft en dit door eenige levenswerkzaamheden , die het inwendig, het organismus ontwikkelend leven betreffen openbaart , even zoo behoort de bewustheid tot het leven der ziele en strekt het helderder worden dier bewustheid na den dood tot ontwikkeling van het geestelijk leven bij de geloovigen. Daar verder uit den text blijkt dat God een God der levenden genoemd wordt omdat zij alle Hem leven , zoo volgt hieruit dat zij alle bewustheid moeten hebben; want wat is het Hem leven anders dan een leven te leven Hem toegewijd, Hem ter eere: en nu vraag ik wat zin zou dit ooit kunnen hebben, zielen te veronderstellen in bewusteloosheid zijnde en werkeloos en toch levende tot eer van God, levende een leven Hem toegewijd? Men let niet genoeg op dat gewigtig woord Hem te leven en leest als of er stond zij leven alle of wel wetende, dat de verheerlijking Gods met bewusteloosheid niet kan gerijmd worden, steltmen die verheerlijking Gods als eerst bij de opstanding plaats hebbende voor — doch de text zelve is ook tegen deze opvatting, dan moest er staan , en zij zullen Hem alle leven namelijk bij de opstanding — nu staat er bepaaldelijk dat de in Christus ontslapenen niet alleen leven maar leven tot Gods eer. Men denke een oogenblik na op den uitroep van den Apostel, mij ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het ligchaam dezes doods en men zal zien tot welke vreemde gevolgtrekking die stelling leidt, dat de zielen der geloovigen vóór de opstanding wegens hare bewusteloosheid den Heere niet verheerlijken kunnen; dan heeft Paulus , de nu nog in het leveniijnde God verheerlijkende Paulus ,

Sluiten