Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in dit sterfelijk leven, reeds in de volle verzekerdheid der zaligheid, de bewustheid van een onuitspreeklijk hem wachtend geluk geniet, zou hij die overgang tot den dood, in de veronderstelling dat zijne ziele dan in eenen bewusteloozen toestand kwam, ooit als wenschelijk verlangd hebben of kunnen hebben ? Maar er is meer; volgens het 6de en 8sle vers van dit Hoofddeel, stelt hij vlak tegen elkander over, het inwoonen in het ligchaam en het uitwoonen van den Heere , waarmede hij dit tegenwoordig leven omschrijft, terwijl hij den staat daarop volgende het uitwoonen uit het ligchaam noemt en het inwoonen bij den Heere — buiten die twee woonsteden heeft dus de ziel geene andere — zij moet dus bij het verlaten van deze wooning (het ligchaam) onmiddelijk in het huis Gods trekken , dat is bij den Heere inwoonen , hetgeen den Apostel meer behaagde (vs. 8) dan'hier te blijven. Als nu de tusschenstaat een staat van bewusteloosheid was, dan zou men tot de onhoudbare stelling moeten komen, dat eene ziele bij God inwoonende geene bewustheid daarvan zoude hebben? Daarenboven zegt den Apostel in vs. g. Daarom zijn wij zeer begeerig, hetzij inwoonende, hetzij uitwoonende, om Hem welbehagelijk te zijn. Zou men nu wel kunnen denken, dat wij in een'staat van bewusteloosheid na den dood verkeerende, Gode aldus welbeh'agelijk zouden zijn ? Maar zonder geloof is het onmooglijk Gode te behagen (Hebr. XI: 6) en zonder bewustheid is het wel even zoo onmooglijk te gelooven.

5.° Philip. I: ai—a3. Want het Leven is mij Christus en het sterven is (mij) gewin. Maar of te leven in den vleesche hetzelve mij oorbaarlijk zij en wat ik verkiezen zal, weetik niet. Want ik worde van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste enz. Wij merken hïer op dat de Apostel van sterven spreekt, hetwelk hij gewin noemt.

Sluiten